Deze site maakt gebruik van cookies om te functioneren zoals verwacht. Door verder te gaan, gaat u akkoord met onze cookie policy.
Accepteren en sluiten

Folder Veenweidegebieden

Waar gaat het om?

  • Bij verdergaande ontwatering van het veenweidegebied zal het kenmerkende landschap verdwijnen.
  • Optimaal gebruik van ecosysteemdiensten kan dit probleem verhelpen; hiervan profiteren uiteindelijk alle gebruikers.

Ecosysteemdiensten

Het veenweidegebied is een uniek Nederlands cultuurlandschap dat ons talrijke ecosysteemdiensten levert: landbouwproducten, beleving van cultuurhistorie, riet en natuurrecreatie. De veenbodem herbergt een immense voorraad opgeslagen koolstof, belangrijk voor ons klimaatbeleid.

Het relatief voedselrijke veen biedt een vruchtbare bodem voor de veenweidelandbouw. Voorwaarde is goede ontwatering van de grond. Daarin ligt het dilemma: door ontwatering oxideert het veen (zuurstof treedt toe) waardoor CO2 vrijkomt, het maaiveld daalt en verdergaande ontwatering nodig is voor de landbouw. Zo houdt ontwatering de veenafbraak en de maaivelddaling in stand. Waar de veenpakketten dik zijn (soms meer dan 15 m), ontstaan uiteindelijk diepe plekken in het landschap. Daar wordt de waterbeheersing problematisch en kan zoute kwel de landbouw gaan beperken. Door maaiveldsdaling verzakken woningen, gebouwen rioleringen en wegen.

Door het brede spectrum van ecosysteemdiensten mee te wegen in het beheer van veenweidegebieden, kan de bodemdaling worden verminderd. Het gaat niet om volledige vernatting, maar om een optimale verhouding tussen behoud en landgebruik. Zo blijft CO2 langer opgeslagen, houdt de landbouw toekomstperspectief, komt er ruimte voor nieuwe natuur en krijgen nieuwe economische dragers kansen.

Voorbeelden en feiten

Verspreid door Nederland ligt zo’n 270.000 ha veenweiden, getypeerd door weidse vergezichten en lange sloten, en getekend door een lange ontwikkelingsgeschiedenis. Weidevogels als grutto, tureluur en goudplevier kenmerken de rijke biodiversiteit. In de laatste 30-40 jaar is 20% van de veengronden in Nederland verdwenen. In een MKBA-studie voor het veenweidegebied rond Zegveld (provincie Utrecht) zijn verschillende waterpeilstrategieën met elkaar vergeleken. Een peilstrategie met ondiepere ontwatering, variatie in zomer- en winterpeil en slechts één peilvak bleek het hoogste maatschappelijk rendement te genereren: 24,8 - 27,1 miljoen euro. De grootste baten zijn natuurontwikkeling (21,7 miljoen euro), positieve klimaateffecten door opslag van broeikasgas (6,8 miljoen euro) en gezondheid (afvang van fijnstof). De hoogste verliespost is verminderde landbouwopbrengst (- 19,6 miljoen euro).

Bewoners en bezoekers in dit gebied bleken bereid per persoon 11 euro per jaar te betalen voor meer natuur als gevolg van de peilverhoging.

Wat werkt en wat werkt niet?

De huidige veenontwatering leidt tot een bodemdaling van gemiddeld 1 cm per jaar. Door klimaatverandering kan daar nog eens 0,1 tot 0,5 cm per jaar bijkomen. De daling wordt veroorzaakt door klink, krimp, zetting, en vooral oxidatie. Bij oxidatie komen broeikasgassen vrij. Het totale Nederlandse veengebied stoot per jaar ruim 4,7 Mton CO₂ uit, ca. 2,5% van de totale Nederlandse uitstoot.

Voor behoud van ecosysteemdiensten en landschappelijke waarden is beperking van de ontwatering noodzakelijk. Dit gaat ten koste van de kwantitatieve productiviteit van de landbouw, maar heeft een gunstig effect op natuur. Bij volledige vernatting zouden de landschappelijke en ecologische waarden weer verminderen. Het streven is dus naar een optimaal middenpeil.

Wat kunt u doen?

De belangrijkste maatregel voor vernatting is verhoging van het waterpeil. Een goede – en kostenbesparende - maatregel daarvoor is het vereenvoudigen van het aantal peilvakken in gebieden. Daarnaast wordt het waterpeil in de sloten en vaarten verhoogd. Van daaruit bereikt het water niet altijd het midden van percelen, maar dat kan verholpen worden met onderwaterdrains.

De laagstgelegen veengebieden zijn het kwetsbaarst en komen als eerste in aanmerking voor vernatting. De bestaande landbouw zal daar moeten uitwijken of inspelen op natuurontwikkeling, rietteelt of recreatie. In hogere veengebieden kunnen landbouwbedrijven bij waterpeilverhoging renderen door hun bedrijfsvoering te verschuiven van kwantiteit naar kwaliteit en toegevoegde waarde, bijvoorbeeld door aangepaste veerassen zoals blaarkoppen te houden.

Colofon

De teksten in deze sectie zijn tot stand gekomen in het kader van het Beleidsprogramma Biodiversiteit. Tekst: Kees Hendriks (Alterra, Wageningen Universiteit en Research Centre).

Bronnen en meer informatie

  • F. de Vries et al, 2008. Het veen verdwijnt uit Drenthe. Alterra, Wageningen, rapport 1661.
  • W. Rienks en A. Gerritsen, 2005. Veenweide 25x belicht.
  • M. Woestenburg, 2009. Waarheen met het veen. Uitgeverij Landwerk
  • J. van den Akker et al., 2010, Toepassing onderwaterdrains in veenweidegebieden. Landschap 2010(3).
  • E. Bos en T. Vogelzang, 2010. Effecten van vernatting. Landschap 2010(3).

URL voorbeeldproject turven van rietplaggen
URL Meer tips om zelf aan de slag te gaan met biodiversiteit
Pointer Infoblad als pdf downloadbaar