Deze site maakt gebruik van cookies om te functioneren zoals verwacht. Door verder te gaan, gaat u akkoord met onze cookie policy.
Accepteren en sluiten

HTML Document Werkconferentie NL Biodiversiteitsplatform - 26 oktober 2006

Rapportage
Publicatiedatum 12/04/2009

VRAAG EN AANBOD VAN ONDERZOEK AAN INTERNATIONALE BIODIVERSITEIT

Een werkconferentie van het Biodiversiteitsplatform-Nl op donderdag 26 oktober 2006, Ede  

Deelnemers:   Vertegenwoordigers van de onderzoekswereld, beleidsmakers, gebruikers van kennis, consumentenorganisaties, bedrijfsleven, stakeholders, ngo's, financiers van onderzoek.

Beoogde producten van de werkconferentie:  Een door alle betrokkenen gedeeld beeld van: 

  • de opkomende urgente onderzoeksthema's waaraan het biodiversiteitonderzoek in Nederland in de komende jaren een belangrijke bijdrage moet gaan leveren;
  • de opdrachten en kansen die er voor het Nederlandse biodiversiteitonderzoek en -beleid liggen, met inachtneming van de thema's kennisverspreiding en kennisbenutting;
  • de wijze waarop de Nederlandse kennisagenda voor nationaal en internationale biodiversiteit in de komende jaren tot stand kan komen.

Organisatie: Sander van Opstal, DK 0318-822921

Resultaten: Bespreking van het ontvangen commentaar op de stellingen

1.  Algemeen

Er waren zes respondenten. Alhoewel dit aantal niet representatief kan worden geacht, kunnen de ontvangen reacties wel gebruikt worden om het debat te helpen "focussen". Daarnaast vormen de reacties waardevolle informatie voor de toekomstige werkzaamheden van het Biodiversiteitplatform.

Respondenten.

Het valt op dat voornamelijk personen uit de onderzoekswereld gereageerd hebben. Onder de respondenten zijn beleidsmakers in de minderheid.

Stelling 6 onder "Onderzoeksthema's"

"welke inhoudelijke thema's moeten we als eerste aanpakken?" heeft het grootste aantal reacties opgeroepen. Goede tweede tav het aantal ontvangen reacties is stelling 3 , eveneens onder "Onderzoeksthema's"

" hoe moet het Nederlandse biodiversiteitonderzoek zich verhouden tot de wettelijke verplichtingen" 

Gezien het feit dat deze stellingen veel en uitgesproken reacties oproepen, verdient het aanbeveling om in het debat aanstaande donderdag (26-10) aan deze stellingen aandacht te besteden.

Aan de andere kant valt op dat sommige stellingen kennelijk géén of nauwelijks  reacties opgeroepen hebben. De meest opvallende zijn dan onder  "Onderzoekscapaciteit" de stellingen 1: "Capaciteit voor marien onderzoek", en stelling 4:  "Trekkingsrechten" en "Samenwerking in het onderzoek", stelling 2: "NRLO".  De laatste twee stellingen zouden bij doorvoering leiden tot aanpassingen in de bestaande systemen van prioritering van onderzoek en in de financieringswijze. Uit het gebrek aan reacties zou afgeleid kunnen worden dat hier thans weinig noodzaak toe gevoeld wordt dan wel dat de veranderbaarheid in dit opzicht niet hoog ingeschat wordt.



2.  Het ontvangen commentaar

Hieronder wordt een ruimhartige selectie van het ontvangen commentaar weergegeven. Niet alle commentaar leende zich ertoe om integraal opgenomen te worden in verband met bijvoorbeeld herhalingen of detailniveau. Er heeft een kleine redactieslag plaatsgevonden. De namen van de indieners zijn toegevoegd. De teksten zijn vrij letterlijke citaten, waarbij aanhalingstekens niet aangegeven zijn.



2.1  Algemeen commentaar

De vraag "welk onderzoek moet plaatsvinden?" begint niet bij de onderzoekswereld,  maar bij het beleid. Beleid, onzekerheden rond beleid, en onzekerheden rond de uitvoering van beleid leiden tot kennisvragen en identificatie van behoeften aan innovatie die in veel gevallen met kennis management kunnen worden opgelost en in sommigen gevallen specifiek additioneel onderzoek nodig maken. (W.J. van IJssel, OS).



2.2  Commentaar op "onderzoeksthema's"

Algemeen:  Wij (OS) hebben net onze eigen kennis en onderzoeksstrategie geformuleerd op basis van een consultatief proces. Interessant daarbij was te zien dat klassieke thema's als bossen, parken, biodiversiteit, landbouwsystemen etc. geheel naar de achtergrond zijn verdwenen. De behoefte aan kennis, onderzoek en innovatie wordt veel meer gevoeld in de cross-cutting issues zoals de relaties milieu en governance issues zoals macro-economisch beleid en haar impact, micro-macro relaties van beleid, de impact van bestuurlijke decentralisatie, globalisering en markten en ketens en de impact op milieu en armoede, payment for environmental services en aan de andere kant ook landgebruik en milieu en de relaties met inkomen en groei, rechten van de armen en milieubeheer etc.

Wat betekent dat voor de vraag naar biodiversiteitonderzoek? In ieder geval een sterke afname van de vraag naar het klassieke biodiversiteitonderzoek. Misschien een totaal andere aanpak en een

totaal andere themavoering binnen biodiversiteitonderzoek. Althans voor zover gerelateerd aan OS relevantie. (W.J. van IJssel, OS).

(1)  Nederland heeft ondanks zijn kleine oppervlak een grote invloed op de mondiale biodiversiteit. Genoemd kunnen worden enerzijds de functie als flyway bij de vogeltrek, en anderzijds de ecological footprint en de rol die Nederland als transport en -doorvoerland speelt bij het verspreiden van invasieve soorten of ziekteverwekkers. De onderzoeksprioriteiten moeten rond deze thema's georiënteerd zijn.

Commentaar:  Dit is een stelling met drie delen welke niet noodzakelijkerwijs samenhangen. Ik denk dat de functie van Nederland als stapsteen op de flyway voor de overleving van trekvogels een stuk minder belangrijk is dan de (succesvolle) passage door Afrika bijvoorbeeld, of langs jagend Frankrijk en Italie. Ik zie geen reden waarom Nederland nu bewezen meer ziekteverwekkers of invasieve soorten verspreidt dan buurlanden, dit klinkt leuk maar mist m.i. onderbouwing. Ten derde zou de ecological footprint beter thuis zijn bij stelling 6. (J. Vermaat, IVM-VU).

(2)  Gezien vanuit landschaps- en ecologisch perspectief is Nederland een open-luchtmuseum van verschillende historische landschappen. Het Nederlandse biodiversiteitbeleid is daarom evenzeer een zaak van (historische) landschapsonderzoekers als van biologen.

Commentaar:  Het biodiversiteitbeleid moet er niet op gericht zijn om de  biodiversiteit te conserveren, maar om natuurlijke processen te herstellen die de aanpassing aan de geleidelijke verandering (evolutie) kenmerken. Conservering van biodiversiteit is dus iets anders als het "opzetten" van de biodiversiteit zoals wij die kennen. Onze waarneming is slechts een momentopname op de evolutionaire schaal. Dynamiek en verandering zijn hierin cruciale kenmerken. Het conserveren van de biodiversiteit (soorten, genetische variatie c.q. landschappen) is dus uit den boze. Het is arbitrair (welke peildatum?) en kunstmatig. Bovendien, het ontkent de te verwachten veranderingen t.g.v. het opwarmen van de aarde. Het herstellen van natuurlijke processen, en het bewaken van voldoende ruimte voor de natuur, zouden de ruggengraat moeten vormen van het beleid. De rol van historische landschapsonderzoekers is m.i. vanuit dat perspectief marginaal.

Onderzoek zou erop gericht moeten zijn onze desastreuze invloed op de biodiversiteit terug te dringen, in plaats van het natuurlijke landschap inderdaad tot openluchtmuseum te laten verworden.

Teruggeven aan de natuur van wat niet meer gebruikt hoeft te worden (bijv. hakhoutbosjes, overtollig landbouwareaal) lijkt mij wenselijker. (B. Wollenberg, BGCI-Nl).

(3)  Het Nederlandse biodiversiteitonderzoek moet zich vooral op de internationale biodiversiteitaspecten en op de (inter)nationale maatschappelijke dimensie richten. Onderzoek in Nl kan zich beperken tot de ondersteuning van de informatiebehoeften die er in het kader van de uitvoering en monitoring van wettelijke verplichtingen zijn (o.a. de Natuurbeschermingswet, Flora en Faunawet, Natuurverkenningen, Natuurbalans, compensatiebeginsel EHS, Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Natura 2000, Kader Richtlijn Water, CITES). 

Commentaar:  1) Die informatiebehoefte voor de reeks aan wettelijke verplichtingen is niet gering en zou wel eens een bijzondere bron aan gegevens voor metapopulatie-onderzoek kunnen zijn. Hierbij ontbreekt wel een schets van de internationale biodiv-aspecten, zoals die wel bij stelling 6 aan bod komen. Mijns inziens is dat zowel wetenschappelijk (bijvoorbeeld waar liggen die hotspots en waarom, hoe is het verdwijnen van arctische soorten als gevolg van klimaatsverandering te stoppen?) als politiek (bijvoorbeeld de grootschalige destructie van bos op Kalimantan en Sumatra, en de massieve overbevissing in vrijwel alle ondiepe zeeën zouden acuut gestopt moeten worden). (J. Vermaat, IVM-VU).

Commentaar:  2) Het is goed als onderzoek in Nederland zich deels richt op de informatiebehoefte die voortvloeit uit de uitvoering en monitoring van wettelijke verplichtingen zoals o.a. de Natuurbeschermingswet, Flora en Faunawet, Natuurverkenningen etc. maar aangezien van Nederland ook een bijdrage mag worden verwacht op het terrein van Internationale biodiversiteit is inzicht in vraagstukken zoals de relatie tussen ecosystem health en human well-being en ecosystem health en het vermogen van deze ecosystemen om producten en milieudiensten te verlenen van belang. (R. Boot, Tropenbos).

Commentaar:  3) Biodiversiteitonderzoek zou zich tevens moeten richten op de rol van Nederland m.b.t. de internationale afspraken binnen het Biodiversiteitsverdrag en de daarin opgenomen Global Strategy for Plant Conservation. Target 8 van de GSPC zegt o.a. dat in 2010 60% van de bedreigde soorten opgenomen moet zijn in ex-situ collecties, bij voorkeur in het land van oorsprong. Helaas zijn de megabiodiversiteitslanden veelal ook ontwikkelingslanden, met minimale mogelijkheden om dit target zelf waar te maken, terwijl dit voor een land als Nederland kinderspel is.Nederland zou dit in de EU op de agenda moeten zetten en onderzoek moeten stimuleren naar de mogelijkheid van een regionale c.q. mondiale benadering van de bescherming van biodiversiteit. Onderzoek in Nederland zou zich tevens moeten richten op de onderbouwing en uitvoering van de CBD en de daarin opgenomen GSPC. (B. Wollenberg, BGCI-Nl).

(4)  Biodiversiteitonderzoek moet zich in eerste aanleg richten op de grote wetenschappelijke vraagstukken en op hetgeen wat nog ontdekt moet worden. Middels bijvoorbeeld biodiversiteitonderzoek in oceaantroggen ontstaat nieuwe kennis die economisch van groot belang kan zijn.

Commentaar:  1) In deze stelling wordt gesproken over de grote wetenschappelijk vraagstukken en onderzoek dat economisch van groot belang zou kunnen zijn. Tussen beide is geen direct verband. Ik ben het oneens met de stelling dat onderzoek zich vooral zou moeten richten op de grote wetenschappelijke vraagstukken en met het tweede deel van de stelling dat onderzoek zou moeten leiden tot economisch voordeel. (R. Boot, Tropenbos).

Commentaar:  2) Er moet nog veel ontdekt worden. De wetenschappelijke kennis van soorten is fragmentarisch; waar de afgelopen 15 jaar in de Alpen al drie nieuwe Primula-soorten zijn ontdekt, is het duidelijk dat minder toegankelijke gebieden een garantie vormen voor de ontdekking van nieuwe soorten. Mega-fauna en -flora zijn redelijk bekend, maar bijvoorbeeld de kennis omtrent schimmels of insecten in de tropen is uiterst beperkt. De capaciteit voor veldonderzoek neemt af en taxonomen worden nu zelf tot "bedreigde soort", ook in Nederland. In het licht van de biodiversiteitcrisis een merkwaardig verschijnsel. (B. Wollenberg, BGCI-Nl).

(5)  Het grote potentieel van de biologische collecties in Nederland voor toegepast en fundamenteel biodiversiteitonderzoek moet nog beter worden benut.

Commentaar:  1)  Nederland is in het bezit van een bijzonder waardevolle hoeveelheid biodiversiteitgegevens; grote internationale natuurhistorische collecties, lange termijn monitoringsbestanden van terrestrische en aquatische systemen, en miljoenen observatiedata van de Nederlandse flora en fauna. Bovendien zijn er gedetailleerde bestanden met geografische en a-biotische gegevens. De digitale infrastructuur en ICT-kennis om deze informatie te ontsluiten en aan te wenden voor (fundamenteel) onderzoek, of de noden van specifieke gebruikers, is aanwezig. Nederland heeft de potentie om zich te ontplooien als een voortrekker op het gebied van de biodiversiteitinformatica. Echter, zolang "open access" tot de betreffende data geen gemeen goed is, zal Nederland zich op het gebied van internationaal biodiversiteitonderzoek niet optimaal kunnen ontwikkelen. "Open access" tot biodiversiteitbestanden én bestanden met relevante a-biotische gegevens moet worden geprioriteerd in toekomstig Nederlands wetenschapsbeleid. (. Hof, NLBIF)

Commentaar:  2)  Ik ondersteun deze stelling, al moet men wel bedenken dat collecties zonder inzicht in de ecologische relaties met andere organismen en het abiotische milieu beperkt inzicht verschaffen in belangrijke biodiversiteitvraagstukken. (R. Boot, Tropenbos).

(6)  De belangrijkste onderzoeksvelden voor wat betreft het internationale biodiversiteitbeleid zijn:

- duurzame financiering van ecosysteemdiensten,

- inrichting en beheer van ecologische netwerken en biologische hotspots,

- de ontwikkeling van "best practices" voor duurzame landbouw en bosbouw in de tropen en subtropen, mede in relatie tot mondiale doelstellingen en ontwikkelingen,

- de verduurzaming van (inter-)nationale productie- en handelsketens.

Commentaar:  -1) Mijns inziens zou de nadruk voor de wetenschap moeten liggen op hotspot onderzoek in brede zin, dus inclusief de vraag waarom die gebieden zo rijk zijn aan soorten en hoe robuust de ruimtelijke en functionele netwerken zijn. Het werk van Pimm, dat recent in NL in het nieuws was toont aan hoe belangrijk het toeval helaas nog is: had deze veramerikaniseerde Brit ergens anders onderzoek gedaan, dan wist niemand van de Braziliaanse kustgebergten. Het is de vraag hoe we zulk 'toeval' kunnen stimuleren.  Onderzoek naar een kwantificering van ecosystem services lijkt me voor Nederland een groot risico opleveren dat ze/we achter de markt aanboeren (zie bijv Balmford et al - en werk in press van die groep, wat moeten we daart nog aan toe voegen?), en bovendien vraag ik me af of het inhoudelijk werkelijk veel oplevert. (J. Vermaat, IVM-VU).

Commentaar:  -2) Door klimaatsverandering zal er Tropisch regenbos kunnen verdwijnen omdat verkeerd gekozen beschermde gebieden ontbost kunnen raken ( als gevolg van klimaatverandering). Thans zijn onbeschermde maar klimaat-stabiele gebieden reeds onderworpen aan menselijke ontbossing. Om de mondiale biodiversiteit effectief te kunnen behouden voor de toekomst is het vinden en beschermen van klimaat-stabiel regenwoud van essentieel belang. (M. Lael, WUR).

Commentaar:  -3) De genoemde onderzoeksvelden zijn zeker belangrijk voor de internationale biodiversiteitagenda. Maar het verdient aanbevelingen het eerste onderwerp ‘Duurzame financiering van ecosysteemdiensten' te verbreden tot ‘Duurzame financieringsmechanismen voor het beheer van ecosystemen', en het tweede onderwerp ‘inrichting en beheer van ecologische netwerken' te verbreden tot beheer van multifunctionele landschappen voor behoud van biodiversiteit en economische ontwikkeling of armoede bestrijding. Deze verbreding van de thema's zou recht doen aan recente inzichten op dat gebied. (R. Boot, Tropenbos).

Commentaar:  -4)  Een belangrijke ontbrekende schakel is het handhaven van taxonomische expertise in bestaande en met sluiting bedreigde taxonomische expertise-centra. Zonder deze centra komt veel toegepast onderzoek op losse schroeven te staan. De balans is m.i. tezeer doorgeslagen naar ecosysteem-denken. De definitie van biodiversiteit noemt naast ecosystemen ook soortenrijkdom en genetische variatie. (B. Wollenberg, BGCI-Nl).

(7)  Het toegankelijk maken van kennis en het bijdragen aan de kennisbenutting middels onder andere kennisverspreiding en "capacity building" behoeven permanente en specifieke aandacht en kennisontwikkeling.

Commentaar:  Ik ben het volledig eens met deze stelling. Kennisbenutting (maar ook aansturing van onderzoek) en capaciteitsontwikkeling zijn deels bepalend voor de mate waarin onderzoek bijdraagt aan verbetering van bestaand beleid en de formulering van nieuw beleid. (R. Boot, Tropenbos).

(8)  Onderzoeksinstellingen zijn te veel gericht op kennisontwikkeling waardoor de minstens zo belangrijke aspecten van kennisverspreiding en -benutting, alsmede zaken als communicatie en "capacity building", onderbelicht blijven.

Commentaar:  Bij veel kennisinstituten zie ik een positieve ontwikkeling. Kennisverspreiding en benutting krijgen meer aandacht dan voorheen, maar er zou meer kunnen worden gedaan vooral door samenwerking met organisaties die gespecialiseerd zijn in het gebruik van kennis voor beleid. Deze aanpak lijkt succesvoller dan het bijscholen van individuele onderzoekers tot communicatie experts. (R. Boot, Tropenbos).



2.3  Commentaar op "onderzoekscapaciteit".

(1)  Marien onderzoek krijgt weinig prioriteit in het biodiversiteitonderzoek. Er is een meerjarenplan nodig om dit onderzoeksveld de plaats en aandacht te geven die het maatschappelijk en beleidsmatig toekomt.

(2)  Het bestaande systeem van onderzoeksprioritering en -financiering leidt ertoe dat natuur- en milieueducatie, en het ondersteunend onderzoek daarvoor, te weinig aandacht krijgt. Er zijn geen tekenen dat dit in de toekomst zal veranderen.

(3)  Nederland moet een sterke internationale speler in het veld van biodiversiteitonderzoek en de toepassing van de daarbij verkregen kennis willen zijn. Dit kan bevorderd worden door te kiezen voor de ontwikkeling en oprichting van krachtige onderzoekscentra en onderzoeksinfrastructuren die ook voor niet-Nederlandse onderzoekers en beleidsmakers onmisbaar zijn.

Commentaar:  -1) Ik ben het eens met de stelling dat Nederland de ambitie zou moeten hebben om een belangrijke rol te spelen in het internationale biodiversiteitonderzoek en de toepassing van de daarbij verkregen kennis. Of dit bereikt wordt door het oprichten van krachtige onderzoekscentra valt te bezien, maar een goede onderzoeksinfrastructuur is een randvoorwaarde voor deze ambitie. (R. Boot, Tropenbos).

Commentaar:  -2)  Helaas moet ik constateren dat de taxonomische onderzoekcentra van weleer door opeenvolgende bezuinigingen eerder structureel  verzwakt dan versterkt worden, dan wel geheel opgeheven. Een tendens die overigens al decennialang een mondiaal karakter lijkt te hebben. Juist in deze discipline is het opbouwen van expertise een heel belangrijk aspect in het onderzoek. Het afbouwen/verzwakken van die expertise is dan ook een vorm van kapitaalvernietiging. (B. Wollenberg, BGCI-Nl).

(4)  NGO's, bedrijfsleven en andere kennisgebruikers moeten "trekkingsrechten" krijgen op het biodiversiteitonderzoek. De omvang van de trekkingsrechten kan worden afgeleid van de urgentie en het maatschappelijk belang van het te onderzoeken probleem.



2.4  Commentaar op "samenwerking in het onderzoek".

(1)  De aansturing en samenwerking van het biodiversiteitonderzoek in Nederland lijkt vooral in een aantal "kolommen" georganiseerd te zijn.  De kolommen  "LNV/WUR/Alterra/Wageningen International", respectievelijk "OCW/NWO/NWO Instituten" en "VROM/RIVM" trekken vooral gescheiden op. Samenwerking tussen deze kolommen lijkt weinig op te treden. Samenwerking met armoede- of waterinstituten als bv. UNESCO-IHE lijkt nog minder op te treden.

Commentaar:  1) Deze stelling doet geen recht aan het onderzoek aan universiteiten buiten de WUR. "Vreemd" genoeg gebeurt er bijvoorbeeld in Leiden (Naturalis, koraal-biogeografie) Utrecht (Soons - dispersie, Beltman - herstel laagveen) en ook aan de VU (Berg) hoogst relevant natuurwetenschappelijk en economisch werk (Jeroen van den Bergh ruimtelijke economie VU). Restoration Ecology is een tijdschrift waarin auteurs uit allerlei NL universiteiten publiceren. Zo wordt er ook redelijk samengewerkt, op projectbasis bijvoorbeeld in het NWO-stimuleringsprogramma biodiversiteit, maar ook in OBN en buiten dergelijke kaders om.

Commentaar:  2) Ik heb de indruk dat deze stelling juist is. (R. Boot, Tropenbos).

(2)  Een van de succeselementen van de NRLO was het bij elkaar brengen van kennisvragers, kennisaanbieders en stakeholders waarbij de invalshoek breder was dan die van een enkel ministerie. Een ander succeselement was de mogelijkheid voor de NRLO om middelen toe te wijzen aan onderzoekers.

Het verdient aanbeveling om een nationaal coördinatieplatform van kennisvragers en kennisaanbieders op het gebied van biodiversiteit in te stellen en hier ook budgetrechten aan te verbinden. Het Biodiversiteitsplatform-Nl zou, in goede samenwerking met NWO/ KNAW, hierover een advies uit moeten brengen.

Commentaar:  Ik deel de opvatting dat het Biodiversiteitplatform-NL in goede samenwerking met NWO/KNAW maar ook de voor dit dossier relevante ministeries, een advies zou moeten uitbrengen over de rol van het platform bij het vaststellen van een onderzoeksagenda en het toewijzen van middelen voor de uitvoering van deze agenda. (R. Boot, Tropenbos).

(3)  Het Nederlandse onderzoeksveld moet zijn prioriteiten sterker afstemmen op Europese kaders. Hierbij gaat het om de afstemming tussen de nationale onderzoeksagenda en de Europese onderzoeksagenda zoals ontwikkeld door de EU ten behoeve van de Kaderprogramma's , en de door het EPBRS ( de samenwerkende nationale biodiversiteitplatforms) geleverde aanbevelingen.

Commentaar:  1) Europa is een belangrijke speler in dit veld en dus moeten prioriteiten worden afgestemd met de Europese kaders. Dit roept wel de vraag op hoe Nederland een effectieve rol kan spelen in de formulering van deze Europese kaders. Afstemming zonder inbreng is niet gewenst. (R. Boot, Tropenbos).

Commentaar:  2) Nederland moet niet uitsluitend Nederlands/Europees denken. De Europese onderzoeksprogramma's zijn al dermate goed gefinancierd dat dit een hoge prioriteit heeft voor veel onderzoeksinstituten.  Een nog sterker Europees accent zal alleen maar een averechts effect hebben op niet-Europees gerichte programma's. (B. Wollenberg, BGCI-Nl).

(4)  Naast een betere afstemming op Europees vlak is betere afstemming van de Nederlandse onderzoeksagenda op mondiaal vlak noodzakelijk.  Het gaat hierbij om aansluiting op de internationale onderzoeksagenda's zoals geformuleerd door onder andere de CBD-SBSTTA , DIVERSITAS, ICPP, GBIF en CGIAR.

Commentaar:  De lange onderzoekstraditie in landen buiten Europa maakt de betreffende organisaties internationaal tot waardevolle expertise / onderzoekscentra. Deze instituten zouden meer benut kunnen worden bij het delen van die expertise met organisaties in ontwikkelingslanden, zodat de capaciteit in die landen versterkt wordt (een van de aspecten van het ook door Nederland getekende Biodiversiteitsverdrag!). Juist een land als Nederland (sterke internationale positie, invloed, aanzien) mag zich niet laten terugvallen in uitsluitend regionaal denken. Veel nieuwe EU-landen zullen die regionale oriëntatie hebben. Nederland kan het zich permitteren om ook buiten de EU substantieel actief te zijn, het zou erg kortzichtig zijn juist die rol nu te beperken. (B. Wollenberg, BGCI-Nl).

(5)  De uitkomsten van deze "Vraag- en aanbodconferentie op het gebied van Internationaal Biodiversiteitonderzoek" zouden gebruikt moeten worden als voeding voor de onderzoeksagenda in het thans in voorbereiding zijnde tweede Biodiversiteitplan Biodiversiteit Internationaal.

Commentaar:  Het lijkt mij nuttig om de resultaten van deze bijeenkomst te gebruiken bij de formulering van de onderzoeksagenda behorende bij het BBI 2.  (R. Boot, Tropenbos).